Klikzink

Windbelasting aan de kust bij een bijgebouw of tuinhuis

Een tuinhuis, een fietsenberging of een vrijstaand bijgebouw wordt vaak behandeld als het kleine broertje van de woning: eenvoudig, snel gezet, en zonder al te veel papierwerk. Aan de kust klopt dat beeld maar half. Het gebouwtje is dan wel klein, maar het staat in dezelfde windzone als de woning ernaast, en die windzone is aan de Belgische kust zwaarder dan in het binnenland. Voor het dak van een bijgebouw betekent dat net als bij een grotere woning dat er over de volledige oppervlakte meer klemmen per m2 nodig zijn om de felsplaten vast te houden, en dat de rand- en hoekzones van dat kleine dakje extra aandacht vragen.

Het verschil met een woning is de schaal, niet het principe. Een tuinhuis van vier op drie meter heeft een dak dat vele malen kleiner is dan dat van de woning, maar de opwaartse zuiging die de wind op dat dakvlak uitoefent, wordt niet kleiner in verhouding. Integendeel: kleine, vrijstaande gebouwtjes zonder de beschutting van een grotere massa ernaast staan soms bloter in de wind dan een woning die deels wordt afgeschermd door duinen, bebouwing of begroeiing. Wie voor zo'n bijgebouw dezelfde vuistregels gebruikt als voor een schuur in het binnenland, onderschat het aantal bevestigingen dat nodig is, en dat is precies de fout die aan de kust het vaakst voorkomt.

Wat een berekening voor een bijgebouw anders maakt

Bij een woning ligt de windbelasting meestal al verwerkt in het ontwerp van de architect, zoals wij uitleggen bij [windbelasting aan de kust bij een nieuwbouwwoning](/belgie/windbelasting-kust/nieuwbouwwoning). Bij een bijgebouw is dat zelden het geval. Een tuinhuis wordt vaak besteld bij een leverancier van tuinhuisjes of gezet door de aannemer als kleine bijkomende opdracht, zonder dat er een architect of ingenieur naar de dakbevestiging heeft gekeken. De windberekening voor het dak — het bepalen van de juiste klemafstand op basis van de ligging, de hoogte en de vorm van het gebouwtje — komt dan bij ons terecht als losstaande vraag, los van een groter bouwdossier. Dat is op zich geen probleem, maar het betekent dat er iemand expliciet om moet vragen: bij een bijgebouw gebeurt die controle niet automatisch mee met een architectuurdossier.

De vorm van een bijgebouw speelt daarbij een grotere rol dan bij een woning. Een plat of licht hellend dak op een vrijstaand tuinhuisje krijgt aan de randen een andere windbelasting dan een schuin dak met een nok, en een lessenaarsdak — vaak gekozen voor een tuinhuis tegen een tuinmuur — heeft weer een andere verdeling van de zuigkrachten over het vlak. Omdat een bijgebouw meestal een eenvoudige, kleine vorm heeft, is de berekening op zich niet ingewikkelder dan bij een woning, maar de marge om fouten te compenseren is kleiner: een tuinhuisdak heeft simpelweg minder platen en minder klemmen, waardoor elke onderschatting relatief zwaarder doorweegt.

Vergunningsvrij is niet hetzelfde als regelvrij

Een bijgebouw of tuinhuis valt in de drie gewesten vaak onder een vrijstelling van vergunning, tot een bepaalde oppervlakte en onder bepaalde voorwaarden over hoogte en ligging ten opzichte van de perceelsgrens. Dat is dezelfde vrijstelling die overal in Vlaanderen, Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bestaat, en de grenzen daarvan liggen vast in respectievelijk het Vlaams Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), het Waalse Code du Développement Territorial (CoDT) en het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO). Aan de kust verandert die vrijstelling zelf niet: een tuinhuis dat elders vergunningsvrij zou zijn, is dat aan de kust in principe ook.

Waar het wél anders ligt, is de gemeente zelf. Kustgemeenten hebben vaak een eigen bouwverordening of specifieke voorschriften voor de zone waarin het perceel ligt, net omdat er in badplaatsen en verkavelingen langs de kust vaker dicht opeen wordt gebouwd en het straatbeeld beschermd wordt. Een tuinhuis dat qua oppervlakte binnen de algemene vrijstelling valt, kan daardoor toch een meldingsplicht of een vergunningsplicht hebben omdat de gemeente een strengere regel hanteert voor die specifieke wijk. Dat is precies het punt waarop een aannemer die veel in het binnenland werkt, zich aan de kust kan vergissen: de vrijstelling zelf verandert niet mee met de windzone, maar de lokale voorschriften kunnen wel verschillen van gemeente tot gemeente, en zelfs van verkaveling tot verkaveling binnen dezelfde gemeente.

De vergunningsvraag en de windbelasting staan dus los van elkaar, maar ze moeten wel beide kloppen. Een tuinhuis dat vergunningsvrij gezet mag worden, moet niettemin een dak hebben dat bestand is tegen de wind die op die plek staat. Omgekeerd verandert een vergunningsplicht niets aan de technische eis: ook een tuinhuis waarvoor wel een melding of vergunning nodig is, moet gewoon voldoen aan de windbelasting die voor die locatie geldt. Wie zich afvraagt wie daarover uiteindelijk beslist bij twijfel over de juiste zone of de juiste norm, vindt dat uitgewerkt bij [wie de windbelasting aan de kust bepaalt](/belgie/windbelasting-kust/wie-gaat-erover).

Waarom de gevel van het bijgebouw ook meespeelt

Bij een tuinhuis wordt vaak alleen naar het dak gekeken, maar de gevel van een klein, vrijstaand gebouwtje staat aan de kust bloot aan dezelfde windzuiging als een grotere gevel, en soms sterker omdat een tuinhuisje geen beschutting krijgt van naburige gebouwen. Wordt de gevel bekleed met felsplaten, dan geldt voor die gevelbekleding een vergelijkbare aandacht voor het aantal bevestigingspunten als voor het dak. Bij een gebouwtje dat pal in de wind staat — tegen de tuin, los van de woning, zonder beschutting — is het dus niet voldoende om alleen het dakvlak te laten narekenen; de gevel die het meest blootgesteld is aan de overheersende windrichting verdient dezelfde blik.

Dit speelt sterker bij een bijgebouw dan bij een woning, juist omdat een tuinhuis vaak vrij en apart in de tuin staat, terwijl een woning meestal binnen een verkaveling met andere gebouwen staat die elkaar deels beschutten. Een berging tegen de tuinmuur is minder kwetsbaar dan een tuinhuis midden in een open tuin met vrij zicht op de zee; die twee situaties vragen niet automatisch dezelfde uitvoering, ook al gaat het om hetzelfde soort gebouwtje.

Wat u nu kunt doen

Wilt u een tuinhuis of bijgebouw aan de kust laten zetten met een dak of gevel in felsplaten, vraag dan expliciet naar de windberekening voor die specifieke locatie, ook als het gebouwtje klein is en vergunningsvrij lijkt. Geef de ligging, de hoogte en de mate van beschutting door aan wie de klemafstand bepaalt, en vraag bij de gemeente na of er voor de wijk of verkaveling een aanvullende regel geldt die verder gaat dan de algemene vrijstelling. Zo weet u zeker dat het kleinste gebouw op het perceel niet het eerste onderdeel is dat het bij de eerste zware storm laat afweten.

KKlikzink
Pagina'sHomeKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlog
Contact
Adres
© Klikzink