Klikzink

Werfmelding en registratie bij verbouwing hoeve

Een hoeve verbouwen is bijna nooit een gewone renovatie. Er komt een omgevingsvergunning bij kijken, vaak een bestemmingswijziging van landbouw naar wonen, en er is meestal een bestaand dak dat blijft liggen terwijl de rest van het gebouw ingrijpend verandert. Voor de werfmelding en de aanwezigheidsregistratie op de werf maakt dat wel degelijk verschil, want de omvang en de aard van de werken bepalen wie moet melden en wie moet registreren.

De werfmelding, oftewel de aangifte van de werken bij de sociale zekerheid, geldt zodra de aannemingswerken op een bouwwerf een bepaald bedrag overschrijden. Bij een hoeveverbouwing is dat bedrag doorgaans snel gehaald: er wordt gesloopt, gemetseld, herdaan aan draagstructuren, en het dak wordt hersteld of vervangen. De bouwheer of de hoofdaannemer doet de melding bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, via de oнlinedienst Checkinatwork. Het actuele drempelbedrag vindt u op de website van de RSZ; dat bedrag wordt van tijd tot tijd aangepast en wij noemen het hier daarom niet. Belangrijk is dat de melding niet per aannemer gebeurt, maar voor de werf als geheel: als de dakwerken, de ruwbouw en de afwerking door verschillende aannemers worden uitgevoerd, telt het totaal van de werken mee om te bepalen of de drempel is overschreden.

Bestemmingswijziging en vergunning

Bij een hoeve komt daar de omgevingsvergunning bovenop, en die is doorgaans complexer dan bij een gewone woning. Een hoeve heeft vaak een landbouwbestemming of een agrarische functie in het plan, en wie er een woning van maakt, vraagt niet alleen een vergunning voor de werken, maar ook voor de wijziging van de functie. In het Vlaams Gewest loopt dat via het Vlaams Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) en het omgevingsvergunningenloket van de gemeente of, bij grotere dossiers, de provincie. In het Waalse Gewest is het kader het Code du Développement Territorial (CoDT), het Waalse wetboek van ruimtelijke ontwikkeling, en loopt de aanvraag via de commune. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kent minder hoeves in de klassieke zin, maar wie toch een landelijk pand herbestemt, valt onder het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO).

Deze bestemmingswijziging heeft rechtstreeks gevolg voor de planning van de werf. Zolang de vergunning niet definitief is, mag er niet gestart worden, en bij een hoeve loopt die procedure vaak langer dan bij een gewone verbouwing omdat er advies gevraagd wordt aan diensten voor landbouw, erfgoed of milieu. Wanneer de hoeve in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied ligt of deels beschermd is, kan er bovendien een aparte erfgoedtoets bijkomen; dat is een ander traject dan wat wij beschrijven bij een woning in een beschermd gezicht, maar het principe van extra advies en extra tijd is vergelijkbaar. Wie hierin werkt met verschillende gespecialiseerde aannemers voor ruwbouw, dak en afwerking, moet er rekening mee houden dat elk van hen op het moment van de effectieve start moet zijn aangemeld voor de aanwezigheidsregistratie, ook al is de vergunning al veel eerder afgeleverd.

Het bestaande dak en de EPB-eis

Bij een hoeve is het dak zelden nieuw. Vaak ligt er een oude dakstructuur met leien, pannen of een oud stalen dak, en de vraag is telkens opnieuw: vervangen, isoleren over het bestaande dak, of alleen herstellen. Die keuze heeft gevolgen voor de EPB-eisen, de energieprestatieregelgeving die in elk van de drie gewesten anders wordt beheerd, met een eigen energieprestatiecertificaat en een eigen verslaggever. Bij een ingrijpende energetische renovatie, wat bij een hoeveverbouwing bijna altijd het geval is omdat het hele gebouwschil wordt aangepakt, gelden striktere isolatie-eisen dan bij een gewone herstelling. Dat heeft ook praktisch gevolg voor het dakwerk: een felsdak dat over de bestaande structuur komt, moet voldoen aan de U-waarde die voor die renovatiecategorie geldt, en de EPB-verslaggever moet dat kunnen staven met de juiste materiaalgegevens.

Deze combinatie van bestemmingswijziging en EPB-verplichting maakt dat er op een hoevewerf vaak meerdere disciplines na elkaar of naast elkaar werken: de ruwbouwploeg die de muren herstelt, de dakdekker die de felsplaten legt, de installateur die de technieken plaatst. Voor de aanwezigheidsregistratie via Checkinatwork betekent dat, dat elke aannemer die zelf op de werf komt, apart moet worden ingecheckt, ook onderaannemers van onderaannemers. Bij een hoeve met verschillende bouwfasen die soms maanden na elkaar volgen, zoals eerst de ruwbouw en pas later het dak, moet die registratie telkens opnieuw correct gebeuren voor elke fase en elke partij die op dat moment aanwezig is.

De rol van de bouwheer en de aannemer

De verantwoordelijkheid voor de werfmelding ligt in de praktijk bij de hoofdaannemer, maar de bouwheer blijft eindverantwoordelijk als er geen hoofdaannemer is aangesteld, wat bij een hoeveverbouwing met veel losse vakmensen wel eens voorkomt. Wie zelf als bouwheer optreedt en rechtstreeks met verschillende ambachtslieden werkt, doet er goed aan om voor elke fase te controleren of de melding en de registratie in orde zijn, want de RSZ kan bij controle de bouwheer aansprakelijk stellen als blijkt dat er niet gemeld is terwijl dat wel moest.

Daarnaast is er, zoals bij elke werf boven een bepaalde omvang, een veiligheidscoördinator nodig zodra er meerdere aannemers tegelijk of na elkaar actief zijn. Bij een hoeve met een lange werfduur en wisselende ploegen is die coördinatie niet alleen een administratieve verplichting, maar ook praktisch nuttig: de coördinator houdt zicht op wie waar werkt en wanneer, wat aansluit bij wat de aanwezigheidsregistratie op papier al vastlegt. Aan het einde van de werken stelt de coördinator het postinterventiedossier op, waarin ook het dakwerk en de gebruikte materialen worden opgenomen, zodat een volgende aannemer die ooit nog aan het dak moet, weet hoe het is opgebouwd.

Het dak zelf, de fels en de praktijk op de werf

Op veel hoeves ligt het dak op een helling en met een oppervlakte die zich uitstekend leent voor stalen felsbanen, zeker wanneer het gebouw een nieuwe, vaak residentiële bestemming krijgt en de eigenaar kiest voor een duurzaam en onderhoudsarm materiaal. De platen worden op maat gemaakt tot een lengte van acht meter, wat bij een lange stalschuur of hoevevleugel vaak toelaat om met doorlopende banen te werken zonder onnodige sneden. Dat heeft ook gevolg voor de planning van de werf: minder sneden en minder aansluitingen betekent minder tijd op het dak, wat bij een werf met meerdere gelijktijdige bouwfasen prettig is voor de coördinatie tussen de dakdekker en de andere aannemers.

Omdat de fels blind wordt bevestigd met klemmen, blijft de plaat vrij om te werken bij temperatuurschommelingen, wat op een hoeve met een grote dakvlakte relevant is. De coating en de Sendzimir-verzinking maken het materiaal geschikt voor de lange termijn, wat aansluit bij de tienjarige aansprakelijkheid die de aannemer draagt: net als bij een gewone dakrenovatie moet ook hier de uitvoering vrij zijn van verborgen gebreken die de waterdichtheid in het gedrang brengen. Wie meer wil weten over hoe de werfmelding en de registratie precies verlopen los van de bestemmingswijziging, vindt dat uitgewerkt bij [de werfmelding en aanwezigheidsregistratie bij een dakrenovatie](/belgie/werfmelding/dakrenovatie), en wie de hoeve omvormt tot een nieuwe woning met een volledig nieuw dakvolume, leest daarover meer bij [de werfmelding en aanwezigheidsregistratie bij een nieuwbouwwoning](/belgie/werfmelding/nieuwbouwwoning).

Wie nu een hoeve verbouwt, doet er goed aan om bij de aanvraag van de vergunning meteen na te vragen welke EPB-categorie van toepassing is, om de werfmelding bij de RSZ te regelen zodra de aannemingssom de geldende drempel overschrijdt, en om samen met de veiligheidscoördinator een overzicht te maken van alle aannemers die na elkaar op de werf komen, zodat de aanwezigheidsregistratie via Checkinatwork voor elke fase correct wordt bijgehouden.

KKlikzink
Pagina'sHomeKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlog
Contact
Adres
© Klikzink