Klikzink
Wie een dakkapel of uitbouw laat plaatsen, denkt in eerste instantie aan de vergunning, de EPB-eisen en de aannemer die het werk uitvoert. De asbestinventaris komt meestal pas in beeld op het moment dat er iets weg moet: een stuk van het bestaande dakvlak, een oude schouwdoorvoer, of het plaatje golfplaat waar de nieuwe kapel doorheen komt. En net dat kleine, ondergeschikte vlak is vaak precies waar het asbestafbouwbeleid om de hoek komt kijken.
België voert al enkele jaren een beleid dat gericht is op het volledig verwijderen van asbest uit gebouwen, met daaraan gekoppeld een inventarisatieplicht. Wie een gebouw van voor de asbestban verkoopt, moet daarvoor over een geldige asbestinventaris beschikken. Die verplichting ontstaat bij verkoop van het hele pand, niet bij een verbouwing op zich. Maar in de praktijk raken beide elkaar voortdurend: veel eigenaars laten een dakkapel of uitbouw plaatsen net omdat ze het huis willen verbouwen voor eigen gebruik, of net vóór een verkoop, en dan is de vraag onvermijdelijk of het oude dakmateriaal asbest bevat.
Bij een dakkapel wordt een stuk van het bestaande dakvlak open gemaakt: de sporen worden doorbroken, de bekleding rond de kapel wordt aangepast, en vaak blijft er een smalle strook oud materiaal liggen naast de nieuwe felsplaten. Bij een uitbouw ligt het net zo: het platte dak van de aanbouw wordt afgebroken, en juist bij oudere woningen was dat plat dak vaak bekleed met asbesthoudende golfplaten of asbestcement leien. Dat is een klein oppervlak in vergelijking met een volledige dakvervanging, maar de asbestregelgeving maakt geen onderscheid naar grootte: een halve vierkante meter asbestcement valt onder dezelfde regels als een volledig dak.
De aannemer die de kapel of uitbouw plaatst, mag dat oude materiaal niet zomaar zelf verwijderen als het asbest bevat. Sloopwerken aan asbesthoudend materiaal zijn in de drie gewesten onderworpen aan regels rond erkenning, verpakking en afvoer, en voor niet-hechtgebonden asbest is vaak een gespecialiseerd verwijderingsbedrijf verplicht. Voor de doorsnee eigenaar betekent dit dat het traject van de dakkapel plots een extra schakel krijgt: eerst een inventarisatie of staalname van het te verwijderen materiaal, dan pas de sloop, en dan de plaatsing van de nieuwe felsplaten.
De wettelijke inventarisatieplicht zelf is gekoppeld aan verkoop, en die regeling verloopt via de gewestelijke overheden. Wie een dakkapel of uitbouw laat bouwen zonder dat het pand wordt verkocht, is dus niet automatisch verplicht om een asbestinventaris te laten opmaken. Toch is het raadzaam om er wel een te laten maken zodra er sloopwerk aan een ouder dakvlak plaatsvindt, en wel om twee redenen. Ten eerste is het de enige manier om vooraf te weten of de aannemer met beschermde afbraak moet werken, wat gevolgen heeft voor de planning en de kostprijs van het traject. Ten tweede vraagt een verzekeraar of een latere koper vaak alsnog naar een inventaris zodra bekend is dat er asbesthoudend materiaal in het pand aanwezig was, ook als de verbouwing zelf geen verkoop was.
De procedure om een inventaris te laten opmaken, verloopt via een erkende asbestdeskundige die het gebouw of het te verbouwen deel onderzoekt en een rapport opstelt met de aangetroffen materialen en hun staat. Voor een dakkapel of uitbouw hoeft dat geen onderzoek van het volledige pand te zijn: veel deskundigen kunnen zich beperken tot het deel waar gesloopt wordt, al is een inventaris die het hele dak bekijkt uiteraard vollediger en bruikbaarder bij een latere verkoop. Het is de eigenaar die de deskundige aanstelt en betaalt, niet de aannemer, al regelt die laatste in de praktijk vaak de eerste contacten omdat hij het beste weet welk materiaal hij tegenkomt.
Een dakkapel of uitbouw is in de vergunningsprocedure vaak het kleinste onderdeel van het dossier, maar het is wel het onderdeel waar de gemeentelijke dienst stedenbouw of de welstandscommissie het meest gericht naar kijkt, omdat het zichtbaar is vanaf de straat en de bestaande daklijn doorbreekt. Wij leggen elders uit welke stukken daarvoor nodig zijn en wanneer een omgevingsvergunning verplicht is, zoals bij [de vergunning voor een dakkapel of uitbouw](/belgie/stedenbouwkundige-vergunning/dakkapel-of-uitbouw). Wat in die vergunningsvraag zelden expliciet aan de orde komt, is de vraag wat er met het oude materiaal gebeurt dat door de kapel wordt vervangen. Toch is dat praktisch gezien vaak de eerste hindernis op de werf: voor de vergunning wordt afgehandeld, moet al duidelijk zijn of er asbest aanwezig is, want dat bepaalt welke aannemer het sloopdeel mag uitvoeren en binnen welke termijn dat kan.
In de praktijk zien we dat eigenaars die pas na de vergunning laten onderzoeken of het oude dakvlak asbest bevat, voor onaangename verrassingen komen te staan. Een dakkapel die als eenvoudig binnenschilderwerk-project was ingepland, verandert dan in een project met een gespecialiseerde sloopfase, extra afvoerkosten en een langere planning. Wie dat vooraf laat onderzoeken, kan de aannemer die de felsplaten plaatst, meteen laten weten wat hij aantreft en wat niet, en kan de planning van sloop en plaatsing op elkaar afstemmen zonder verrassingen halverwege de werf.
De kost van een asbestinventaris en een eventuele asbestverwijdering komt los van de kost van de nieuwe felsplaten en de bevestiging daarvan. Hoe die kosten precies zijn opgebouwd, leggen wij uit in de pagina over [wat een asbestinventaris kost](/belgie/asbestinventaris/wat-kost-het). Voor een dakkapel of uitbouw is het beperkte oppervlak van het te vervangen materiaal wel een voordeel: de sloop en afvoer van een klein stuk golfplaat kost aanmerkelijk minder dan die van een volledig dakvlak, ook wanneer die door een gespecialiseerd bedrijf moet gebeuren. De asbestinventaris zelf verandert niet mee met de oppervlakte; de opmaak van het rapport door de deskundige kost ongeveer evenveel voor een klein als voor een groot vlak, wat de relatieve impact op het budget van een kleinere verbouwing groter maakt dan bij een volledige dakvervanging.
Wie deze stap overslaat en er toch achteraf, bijvoorbeeld bij een verkoop, mee geconfronteerd wordt, loopt het risico dat er dan alsnog een inventaris nodig is voor het hele pand, terwijl het gedeelte van de dakkapel intussen al vervangen is door nieuwe felsplaten. Dat is niet onoverkomelijk, maar het maakt het rapport minder volledig over de oorspronkelijke toestand, en dat kan bij een verkoop tot vragen leiden van de notaris of de koper.
Laat, voordat de aannemer met de sloop van het oude dakvlak begint, nagaan of dat materiaal asbest bevat, ook als het om een klein oppervlak gaat en er geen verkoop op korte termijn gepland is. Vraag de aannemer die de dakkapel of uitbouw plaatst naar zijn ervaring met dit soort gecombineerde trajecten, en stem de planning van de asbestinventaris af op het moment waarop de vergunning wordt aangevraagd, zodat beide sporen gelijk oplopen in plaats van elkaar te vertragen.