Klikzink
De watertoets is intussen bekend bij elke aannemer en elke architect die in Belgiƫ een omgevingsvergunning aanvraagt. Toch gaat er in de praktijk telkens hetzelfde mis: de verharde oppervlakte die wordt opgegeven, klopt niet met wat er uiteindelijk wordt gebouwd. En de meest onderschatte post daarin is het dak zelf. Een dakvlak is namelijk net zo goed verharde oppervlakte als een opgehoogde parking of een betonnen terras. Water dat op een dak valt, infiltreert niet in de bodem maar wordt afgevoerd, en precies dat is waar de watertoets naar kijkt.
De fout ontstaat meestal niet uit onwil, maar uit een verkeerde aanname. Wie een aanvraag indient voor een nieuwe loods, een uitbouw of een vervangend dak, telt vaak alleen de grondoppervlakte die verhard wordt: de oprit, het terras, de fundering. Het dakvlak wordt dan gezien als "gebouw" en niet als "verharding", terwijl het voor de afvoer van hemelwater net zo goed meetelt. Bij een plat dak of een dak met weinig helling is dat al gauw honderd vierkante meter extra verharde oppervlakte die niet in het dossier stond. Bij een landbouwloods of een bedrijfsgebouw met een groot dakvlak loopt dat verschil algauw op tot een veelvoud daarvan.
Het probleem met deze fout is dat hij zelden bij de aanvraag zelf wordt opgepikt. De gemeentelijke dienst of de behandelende overheid toetst het dossier op basis van de opgegeven oppervlaktes, en als die oppervlaktes te laag zijn ingeschat, loopt de vergunning gewoon door. Vervolgens wordt er gebouwd, wordt het dak gelegd, en pas bij de eindcontrole of bij een klacht van een buur over wateroverlast komt de discrepantie naar boven. Op dat moment is er geen ruimte meer om de plannen aan te passen: het dak ligt er, de afvoer is aangelegd op basis van een verkeerde berekening, en de buffervoorziening is te klein gedimensioneerd.
De kost van deze fout is niet theoretisch. Als achteraf blijkt dat de opgegeven verharde oppervlakte niet klopte, kan de vergunningverlenende overheid een aanpassing eisen: een grotere infiltratievoorziening, een bijkomende buffer, of in het ergste geval een regularisatieprocedure. Dat betekent opnieuw graafwerk, opnieuw een aannemer op de werf, en een discussie over wie die extra kost draagt. Bij een nieuwbouwwoning is dat al vervelend genoeg; bij een bedrijfsgebouw of een landbouwloods met een dakvlak van duizenden vierkante meters kan het verschil in buffervolume aanzienlijk zijn.
De regel is in de kern simpel, en ze is in de drie gewesten gelijk: elke oppervlakte waarvan het hemelwater niet rechtstreeks in de bodem infiltreert, telt mee als verharde oppervlakte. Een dak valt daaronder, ongeacht het materiaal en ongeacht de dakhelling. Het maakt voor de watertoets dus geen verschil of het dak plat is of een helling heeft vanaf zes graden, zoals bij een felsdak met een gefelste stalen dakbedekking het geval is: de volledige projectie van het dakvlak op de grond geldt als verharde oppervlakte, en het hemelwater dat erop valt moet elders worden verwerkt.
Bij een vervangend dak, waarbij het bestaande dakvlak dezelfde afmetingen behoudt, verandert er in de praktijk weinig: de verharde oppervlakte was er al en blijft gelijk. Bij een uitbreiding, een nieuw bijgebouw of een nieuwbouwproject telt het nieuwe dakvlak echter volledig mee, ook als het gebouw zelf op een kleinere footprint staat dan het dakoversteek suggereert. Een luifel of een overkapping die verder uitsteekt dan de muren waarop ze rust, brengt dus meer verharde oppervlakte met zich mee dan de plattegrond van het gebouw zelf laat vermoeden. Precies dat detail wordt vaak vergeten bij een carport of een vrijstaande overkapping.
Wie de volledige verharde oppervlakte, inclusief alle dakvlakken, van meet af aan correct opgeeft, voorkomt niet alleen een vervelende discussie bij de oplevering. Een juiste opgave laat ook toe om de compenserende maatregelen, zoals een infiltratievoorziening, een buffervolume of een vertraagde afvoer naar de riolering, meteen op de juiste grootte te dimensioneren. Dat is goedkoper dan achteraf bijbouwen, en het voorkomt dat de vergunning zelf ter discussie komt te staan.
In de praktijk betekent dit dat de architect of de vergunningsaanvrager bij elk dakvlak, ook bij een dakkapel of een bijgebouw, expliciet nagaat of het is meegenomen in de berekening van de verharde oppervlakte. Bij grotere projecten, zoals een bedrijfsgebouw of een appartementsgebouw, wordt dit meestal door een studiebureau uitgerekend, maar ook daar loopt het mis wanneer de oorspronkelijke plannen tijdens de bouw wijzigen en het dakvlak groter wordt dan aanvankelijk vergund. Elke wijziging aan het dakoppervlak tijdens de werf verdient daarom een korte controle: telt deze wijziging op bij de eerder opgegeven verharde oppervlakte, en is de voorziene buffer daar nog op afgestemd.
De algemene werking van de watertoets, en hoe die per gewest wordt beoordeeld, leggen wij uitgebreider uit op onze pagina over [de watertoets en verharde oppervlakte bij een felsdak in Belgiƫ](/belgie/watertoets). Voor wie specifiek met een dakrenovatie te maken heeft, waarbij het bestaande dakvlak wordt vervangen zonder dat de oppervlakte wijzigt, gaan wij dieper in op de praktijk bij [de watertoets en verharde oppervlakte bij een dakrenovatie](/belgie/watertoets/dakrenovatie).
Ga bij een lopend of nog in te dienen dossier na of alle dakvlakken, inclusief overstekken, luifels en bijgebouwen, zijn meegeteld in de opgegeven verharde oppervlakte. Vraag bij twijfel aan de architect of het studiebureau een expliciete bevestiging dat deze berekening volledig is, en laat die berekening opnieuw nakijken zodra de plannen tijdens de bouw wijzigen. Zo voorkomt u dat de fout pas bij de oplevering aan het licht komt, wanneer de kost om ze te herstellen veel hoger ligt dan de tijd die het nu kost om ze te controleren.