Klikzink
Wie een omgevingsvergunning aanvraagt, botst vroeg of laat op de watertoets. Dat instrument beoordeelt of een bouwproject de waterhuishouding verstoort, en een dak telt daarbij mee als verharde oppervlakte: het regenwater dat er op valt, kan niet meer in de grond dringen en moet ergens anders naartoe. De vraag die bouwheren en aannemers ons het vaakst stellen, is niet hoe de watertoets werkt, maar wat hij in de praktijk kost. Dat antwoord hangt af van drie zaken: de kost van de toets of het advies zelf, de kost van de maatregelen die u moet nemen om te compenseren, en de kost van vertraging als het dossier onvolledig is.
De eerste kost is meestal de kleinste. In de meeste gevallen is de watertoets geen apart betalend traject, maar een beoordeling die de vergunningverlenende overheid zelf uitvoert als onderdeel van het dossier. U betaalt dus niet voor de toets als zodanig. Waar het duurder wordt, is wanneer de gemeente, de provincie of de adviesinstantie een bijkomend advies vraagt aan de waterbeheerder, of wanneer een architect of ingenieur een uitgebreide hemelwaterstudie moet opstellen om aan te tonen dat het project geen probleem geeft. Die studie kost geld, en de prijs ervan verschilt sterk naargelang de omvang van het project en de ingewikkeldheid van het terrein. Voor een gewone woning met een beperkte uitbreiding blijft dat doorgaans beperkt tot een korte berekening die de architect al in het dossier verwerkt; voor een groter project met veel verharding kan een apart bureau worden ingeschakeld.
De echte kost van de watertoets zit niet in het papierwerk, maar in de compensatie die u moet voorzien zodra de verharde oppervlakte een bepaalde omvang overschrijdt. Valt uw project boven die grens, dan verplicht de vergunning u meestal om een buffervoorziening te plaatsen: een ondergrondse regenwaterput met infiltratie, een wadi in de tuin, of een groendak dat een deel van het water vasthoudt voordat het afvloeit. Elk van die opties heeft een andere prijs, en die prijs is precies het bedrag waarover u met uw aannemer onderhandelt zodra het lastenboek wordt opgemaakt.
Een regenwaterput met infiltratievoorziening is de klassieke oplossing en meestal de duurste, omdat er gegraven moet worden en er een aansluiting nodig is op de riolering voor de overloop. Een wadi, een verdiepte zone in de tuin die tijdelijk water opvangt, is vaak goedkoper omdat er geen constructie in de grond komt, maar ze vraagt wel ruimte die niet elke kavel heeft. Een groendak verschuift de kost naar de dakconstructie zelf: een groendak is zwaarder dan een gewoon hellend dak en vraagt een aangepaste draagstructuur, wat het duurder maakt dan het op het eerste gezicht lijkt. Precies daarom kiezen veel bouwheren voor een andere weg: niet compenseren via een dure voorziening, maar de verharde oppervlakte zelf beperken zodat de drempel van de watertoets niet wordt overschreden.
Als u de keuze hebt tussen verschillende materialen of ontwerpen voor dak en gevel, is het de moeite om vooraf te kijken welke keuze de verharde oppervlakte het minst laat toenemen, of welke het makkelijkst te combineren is met een goedkope vorm van compensatie. Een hellend dak in stalen felsplaten voert het water snel en gestuurd af naar de dakgoot, wat een eenvoudige regenwaterput met beperkt volume vaak al voldoende maakt. Een plat dak zonder aflopende structuur houdt water langer vast en vraagt daardoor soms een grotere buffer om aan dezelfde eis te voldoen. Het verschil zit dus niet in het feit dat een dak wel of niet meetelt als verharding — dat telt het altijd, zoals we uitleggen bij [de watertoets en verharde oppervlakte bij een felsdak in België](/belgie/watertoets) — maar in hoe snel en hoe geconcentreerd het water van dat dak wegvloeit, en welke voorziening daar het best bij past.
Ook de keuze om een deel van de verharde oppervlakte te ontharden, weegt door in de uiteindelijke rekening. Een oprit in dolomiet of grasbetontegels in plaats van volledige verharding, of een terras met voegen die water doorlaten, kan de teller van de verharde oppervlakte onder de kritieke grens houden. Voor een dakrenovatie waarbij de oppervlakte van het dak zelf niet verandert, is dat vaak de goedkoopste manier om de compensatieplicht helemaal te vermijden, zoals we toelichten bij [de watertoets en verharde oppervlakte bij een dakrenovatie](/belgie/watertoets/dakrenovatie). Bij nieuwbouw, waar de totale verharding meestal groter is en er van bij het begin een buffervoorziening wordt voorzien, ligt de afweging anders: daar loont het om de grootte van de regenwaterput of de wadi af te stemmen op de werkelijke afvoer van het dak, in plaats van een overgedimensioneerde standaardoplossing te laten plaatsen die u nooit terugverdient.
De derde en vaak onderschatte kost is die van vertraging. Een dossier waarin de verharde oppervlakte niet correct is berekend, of waarin de gevraagde compensatie ontbreekt, wordt door de gemeente of door de adviesinstantie teruggestuurd voor aanvulling. Dat kost geen geld in de strikte zin, maar wel tijd, en tijd op een werf is zelden gratis: een aannemer die moet wachten met de start van de werken, een architect die het dossier opnieuw moet indienen, een bouwheer die de planning van andere werken rond de vergunning moet verschuiven. Wie vooraf al met een architect of ingenieur naar de verharde oppervlakte kijkt en de juiste compensatie in het dossier opneemt, vermijdt die vertraging bijna altijd. Dat is ook de reden waarom het loont om de watertoets niet als een formaliteit te behandelen die u er op het einde nog snel bijvoegt, maar als een rekenoefening die u vanaf het eerste ontwerp meeneemt.
Omdat de precieze drempels, de vrijstellingen en de manier waarop gewesten en gemeenten de watertoets toepassen, regelmatig wijzigen, vermelden we hier bewust geen cijfers. De actuele regels vindt u bij de dienst omgeving van uw gemeente of bij de bevoegde waterbeheerder, en zij kunnen ook aangeven welke compensatie in uw geval verplicht is en welke lichter uitvalt. Wat u wel vooraf kunt doen, is samen met uw architect of aannemer de oppervlakte van dak, oprit en terras optellen, de verschillende compensatiemogelijkheden laten doorrekenen, en pas dan de knoop doorhakken over het materiaal en de afwerking. Zo weet u voor u aan de vergunning begint al welke kost erbij komt, en welke keuze u daar het meest op laat besparen.