Klikzink
Een Nederlandse aannemer die in België een dak komt vervangen, komt onvermijdelijk in aanraking met het Belgische asbestbeleid. Wie gewend is aan de Nederlandse asbestregelgeving, merkt snel dat de systematiek anders in elkaar zit. In Nederland ligt de nadruk op een asbestinventarisatie voorafgaand aan sloop- of verwijderingswerken, uitgevoerd door een gecertificeerd inventarisatiebedrijf, met een duidelijke koppeling aan de sloopmelding. België werkt met een ander instrument: de asbestinventaris die gekoppeld is aan het bezit van een gebouw, niet enkel aan de werken zelf. Dat verschil is voor een aannemer die grensoverschrijdend werkt geen detail, maar iets wat de planning van een werf direct raakt.
Het Belgische beleid is opgebouwd rond een asbestafbouwbeleid, met als doel dat elk gebouw dat voor een bepaalde datum is opgericht op termijn over een inventaris beschikt. Die inventaris wordt opgemaakt door een erkend asbestdeskundige en beschrijft welke asbesthoudende materialen in het gebouw aanwezig zijn, in welke staat ze verkeren en welk risico ze vormen. Voor een oud golfplatendak, waarvan de platen doorgaans asbesthoudend zijn als het gebouw uit de tweede helft van de vorige eeuw stamt, is dat een concreet gegeven: het dak wordt in de inventaris apart benoemd, met een inschatting van de conditie van het materiaal.
De verplichting die het meest opvalt, en die geen equivalent heeft in de Nederlandse asbestregelgeving, is de inventarisatieplicht bij verkoop. Wie in België een gebouw van vóór de vastgelegde referentiedatum verkoopt, moet op het moment van de verkoop een geldige asbestinventaris kunnen voorleggen. Dat is geen formaliteit voor de notaris alleen: de inventaris beschrijft ook het dak, en een golfplatendak dat als asbesthoudend en verweerd wordt aangemerkt, weegt mee in de onderhandeling over de staat van het pand. Voor een aannemer betekent dit dat een opdracht voor dakvervanging regelmatig ontstaat naar aanleiding van diezelfde inventaris: de eigenaar krijgt het rapport, ziet dat het dak als risicovol wordt beoordeeld, en beslist dan om te vervangen voordat het pand verkocht of verhuurd wordt.
Wat dit voor de aannemer verandert, is vooral de volgorde van werken. In Nederland vraagt de aannemer, of de opdrachtgever in zijn naam, een inventarisatie aan zodra vaststaat dat er gesloopt of verwijderd wordt; het rapport is dan een voorwaarde voor de sloopmelding en wordt speciaal voor de klus opgesteld. In België is het niet ongewoon dat er al een inventaris bestaat, opgemaakt jaren eerder bij een verkoop of om aan het afbouwbeleid te voldoen, en dat die inventaris nu wordt herbruikt als basis voor de werf. Een verstandige aannemer vraagt daarom bij de start van elk project naar een bestaande asbestinventaris, in plaats van te veronderstellen dat er nog niets is. Is de inventaris ouder dan een paar jaar of is de toestand van het dak intussen zichtbaar verslechterd, dan is een actualisatie op zijn plaats voordat de werken worden ingepland.
De gewestelijke verdeling die op deze site verder centraal staat, speelt bij de asbestinventaris een kleinere rol dan bij de omgevingsvergunning. Het afbouwbeleid en de inventarisatieplicht bij verkoop zijn een federale en gewestelijke aangelegenheid tegelijk, met de nadruk vooral op het Vlaamse Gewest, waar de regeling het verst is uitgewerkt en het strengst wordt gecontroleerd. In het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bestaat eigen regelgeving rond asbest bij werken en sloop, maar de gedetailleerde verkoopgebonden inventaris zoals ze in Vlaanderen bestaat, is niet overal op dezelfde manier ingevuld. Wij gaan dieper op de Brusselse situatie in bij [de asbestinventaris in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest](/belgie/asbestinventaris/brussel); voor een aannemer die in meerdere gewesten werkt, is het raadzaam per project te verifiëren welke regeling geldt op de plaats van de werf, in plaats van de regeling van het vorige project te veronderstellen.
Voor de eigenlijke uitvoering van de dakvervanging is het onderscheid tussen inventariseren en verwijderen essentieel, en dat is precies het punt waar veel misverstanden ontstaan. De asbestinventaris zelf stelt vast dat er asbest aanwezig is; ze zegt niets over hoe de verwijdering moet gebeuren. Voor de verwijdering van asbesthoudende golfplaten gelden afzonderlijke veiligheidsvoorschriften, die in de praktijk sterk overeenkomen met wat een Nederlandse aannemer al kent uit de eigen praktijk: afscherming van de werf, beperking van breuk, gebruik van de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen en afvoer van het sloopafval als gevaarlijk afval naar een erkend verwerker. Wie voor het eerst in België een golfplatendak saneert, doet er goed aan zich te laten bevestigen door de opdrachtgever of de asbestdeskundige welke werkwijze de inventaris voorschrijft, want een inventaris kan een advies bevatten om bepaalde platen niet zelf te verwijderen maar dit over te laten aan een gespecialiseerd verwijderingsbedrijf.
De timing van de asbestinventaris raakt ook de planning van de rest van de werf. Een dakvervanging waarbij eerst asbesthoudende golfplaten weg moeten, verloopt in twee fasen: eerst de sanering door een gespecialiseerd bedrijf, dan de plaatsing van de nieuwe felsplaten door de dakwerker. Wie deze twee fasen niet goed op elkaar afstemt, verliest tijd op de werf en riskeert een gebouw dat weken zonder waterdicht dak staat. Voor een aannemer die de vervanging zelf combineert met stedenbouwkundige aspecten, zoals bij een landbouwloods waar de golfplaten worden vervangen door felsbanen, loont het om de sanering al in de planning op te nemen voordat de omgevingsvergunning of melding wordt aangevraagd, want de aanwezigheid van asbest kan meespelen in de beoordeling van het dossier. Meer over de vergunning bij dat type gebouw leest u bij [de stedenbouwkundige vergunning bij een landbouwloods](/belgie/stedenbouwkundige-vergunning/landbouwloods).
Een laatste punt waarop de Belgische praktijk afwijkt van de Nederlandse, is de rol van de opdrachtgever. In Nederland is de opdrachtgever vaak formeel verantwoordelijk voor het laten opstellen van de inventarisatie, maar in de praktijk regelt de aannemer dit vaak mee. In België ligt de eigendom van de asbestinventaris uitdrukkelijk bij de eigenaar van het gebouw: de inventaris is een document dat aan het gebouw kleeft, niet aan een specifieke opdracht. Een Nederlandse aannemer die voor het eerst in België werkt, vraagt dus niet naar 'de inventarisatie voor deze klus', maar naar de bestaande asbestinventaris van het gebouw, en checkt of die nog geldig en volledig is voor het onderdeel dat vervangen wordt.
Wie als aannemer een dakvervanging in België plant, doet er daarom goed aan om vroeg in het traject te vragen naar de bestaande asbestinventaris, te laten nagaan of die actueel is, en de sanering van asbesthoudende golfplaten als een afzonderlijke, voorafgaande fase in de planning op te nemen. Zo sluit de vervanging door felsplaten naadloos aan op de sanering, en voorkomt u vertraging die ontstaat doordat de inventaris pas tijdens de werf boven water komt.