Klikzink
Een landbouwloods herbedekken met klikfels lijkt op het eerste gezicht een eenvoudige ingreep: het gaat om een bestaand gebouw, een bestaand dakvlak en meestal geen wijziging aan de draagstructuur. Toch is dit precies het type werf waar de vergunningsroute niet vanzelfsprekend is. De combinatie van een grote oppervlakte, een agrarische bestemming en vaak een verouderd golfplatendak onder de nieuwe felsbanen maakt dat wat in de stad een simpele melding zou zijn, op het platteland net wel een omgevingsvergunning kan vergen. Wie dat vooraf niet uitzoekt, loopt het risico dat de aannemer moet stilleggen terwijl de vergunning alsnog wordt aangevraagd.
In de drie gewesten geldt hetzelfde uitgangspunt: het vervangen van een dakbedekking zonder wijziging van de bouwmassa is doorgaans vrijgesteld van vergunning of valt onder een eenvoudige melding, zolang er geen wijziging van de buitenafmetingen, de dakvorm of het uitzicht optreedt. Dat basisprincipe verandert niet omdat het om een landbouwloods gaat. Wat wél verandert, is de kans dat één van de uitzonderingen op die vrijstelling van toepassing is, en die uitzonderingen komen bij landbouwgebouwen vaker voor dan bij een gewone woning.
De eerste reden is de oppervlakte. De vrijstellingen voor het vervangen van dakbedekking zijn in het Vlaams Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), het Waalse Code du Développement Territorial (CoDT) en het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) doorgaans gekoppeld aan voorwaarden over de aard van het gebouw en, in sommige gevallen, aan de zonering. Een landbouwloods van enkele honderden tot duizenden vierkante meter valt daarmee sneller onder een regeling die net niet als vergunningsvrij is bedoeld, of onder een regeling die specifiek voor bedrijfsgebouwen in agrarisch gebied is uitgewerkt. Wij behandelen de algemene lijn van die vergunningsroute bij [de stedenbouwkundige vergunning bij een bedrijfsgebouw](/belgie/stedenbouwkundige-vergunning/bedrijfsgebouw); voor de loods gelden dezelfde principes, maar dan binnen een agrarische bestemming in plaats van een bedrijventerrein.
De tweede reden is de bestemming zelf. Een perceel met agrarische bestemming valt in elk van de drie gewesten onder een specifiek beoordelingskader, ook wanneer het gaat om een gebouw dat er al staat. Sommige gemeenten en provincies toetsen werken aan landbouwgebouwen strenger op zichtbaarheid vanaf de openbare weg, op de impact op het omliggende landschap, of op de vraag of het gebouw nog wel een agrarische functie heeft. Een loods die oorspronkelijk voor veeteelt werd gebouwd maar nu als opslagruimte voor een ander bedrijf dient, kan daardoor in een heel andere vergunningscategorie vallen dan de boer die zijn eigen stal herbedekt. Dat onderscheid wordt niet altijd gemaakt door de aannemer op de werf, maar wel door de gemeente of de provincie die de melding of aanvraag beoordeelt.
De derde reden is het bestaande dak. Veel landbouwloodsen uit de tweede helft van de vorige eeuw zijn nog bedekt met golfplaten op basis van asbestcement. Zodra er asbest in het spel is, verschuift het dossier van een zuiver stedenbouwkundige vraag naar een vraag die ook door de regelgeving rond asbestverwijdering wordt bepaald. Dat raakt niet alleen de vergunning, maar ook de veiligheidscoördinatie en de manier waarop het werk mag worden uitgevoerd.
Wanneer de bestaande golfplaten asbest bevatten, moet die eerst op een reglementaire manier worden verwijderd of, in bepaalde gevallen, ingekapseld voordat de nieuwe felsplaten worden aangebracht. Dat verwijderen valt in elk gewest onder eigen regels over erkende verwijderaars, stortmethoden en meldingsplicht aan de bevoegde milieudienst, los van de vraag of er voor de nieuwe dakbedekking zelf een omgevingsvergunning nodig is. In de praktijk lopen beide dossiers vaak samen: de aanvraag voor de omgevingsvergunning vermeldt dat de bestaande asbesthoudende bedekking wordt verwijderd, en de aannemer levert daarnaast een plan voor de asbestverwijdering aan.
Omdat dit gecombineerde traject een aparte discipline is, gaat deze pagina niet verder in op de asbestprocedure zelf. Wat wij hier willen meegeven, is dat de aanwezigheid van asbest een van de belangrijkste redenen is waarom een dossier voor een landbouwloods trager verloopt dan de eigenaar aanvankelijk verwacht, en waarom het raadzaam is om de asbestinventarisatie te laten uitvoeren vóórdat de vergunningsaanvraag of melding wordt ingediend. Zo weet de bevoegde overheid vanaf het begin met welk soort werf ze te maken heeft.
In Vlaanderen behandelt de gemeente de meeste aanvragen voor omgevingsvergunningen aan landbouwgebouwen, via het Omgevingsloket. Voor grotere of gevoeligere dossiers, bijvoorbeeld wanneer een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan van toepassing is of wanneer het gebouw in een agrarisch gebied met overdruk ligt, kan de deputatie van de provincie bevoegd zijn. De gemeentelijke omgevingsambtenaar toetst de aanvraag aan het geldende plan en aan de goede ruimtelijke ordening.
In het Waalse Gewest verloopt de aanvraag via de gemeente, die het dossier beoordeelt op basis van het CoDT en, waar relevant, om advies vraagt aan de fonctionnaire délégué, de gedelegeerde ambtenaar van het gewest die toeziet op de ruimtelijke ordening. Voor landbouwgebouwen in een zone waarvoor het gewest bijzondere voorwaarden heeft vastgelegd, speelt dat advies een grotere rol dan bij een gewone woning.
In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest komen landbouwloodsen in de eigenlijke zin veel minder voor, gezien de stedelijke aard van het gewest, maar de procedure voor vergelijkbare grote bedrijfsgebouwen verloopt via de gemeente of, voor grotere dossiers, via Urban Brussels, op basis van het BWRO. Wie een loods of grote hangar in een rand van het gewest wil herbedekken, doet er goed aan om vooraf bij de gemeente te informeren welke instantie in dat specifieke geval bevoegd is.
In alle drie de gewesten geldt: de instantie die de vergunning verleent, is ook de instantie die vooraf kan bevestigen of een melding in dit geval volstaat of niet. Dat navragen kost weinig tijd en voorkomt dat een werf wordt opgestart op basis van een verkeerde veronderstelling.
Omdat een landbouwloods vaak een grote, aaneengesloten oppervlakte heeft, wil de eigenaar het werk meestal in één fase laten uitvoeren, buiten het groeiseizoen of buiten de periode dat het gebouw in gebruik is voor opslag. Een vergunningsprocedure die langer duurt dan verwacht, of een asbestdossier dat nog moet worden afgerond, kan die planning flink verstoren. Het is daarom raadzaam om de vergunningsvraag, de asbestinventarisatie en de bestelling van de felsplaten in die volgorde te doorlopen, en niet de platen al te bestellen voordat de vergunning of de bevestiging van vrijstelling binnen is.
De aannemer die de klikfels aanbrengt, is ook verantwoordelijk voor de tienjarige aansprakelijkheid voor eventuele verborgen gebreken aan de nieuwe dakbedekking, net zoals bij elk ander dak. Bij een landbouwloods met een grote oppervlakte en een lage dakhelling is die dekking niet minder relevant dan bij een woning; integendeel, de financiële impact van een gebrek over een groot dakvlak is doorgaans groter. Voor een goed onderhouden postinterventiedossier is het nuttig om de vergunning, de asbestattesten en de technische fiche van de felsplaten samen te bewaren, zodat een volgende eigenaar of aannemer bij een latere ingreep meteen weet wat er op het dak ligt en onder welke voorwaarden het is aangebracht.
Wij raden aan om, voordat u het werk aanbesteedt, bij de gemeente te informeren of voor uw loods een melding volstaat of een volledige omgevingsvergunning nodig is, en om de asbestinventarisatie tijdig te laten uitvoeren als het bestaande dak van vóór de jaren negentig dateert. Zo weet u vóór de eerste fels op het dak ligt, welke procedure u moet doorlopen en wanneer de werf kan starten.