Klikzink
Een tuinhuis of bijgebouw lijkt een kleinigheid naast een woning, maar het regenwater dat op het dak valt, telt gewoon mee. In de drie gewesten geldt hetzelfde uitgangspunt: wie een nieuw dakoppervlak creëert, moet nadenken over waar het hemelwater naartoe gaat. Een tuinhuis met een fels van 35 mm en een werkende breedte van 475 mm produceert op een dag met slagregen makkelijk enkele honderden liters, en die moeten ergens komen. Rechtstreeks laten aflopen naar de riolering is meestal geen optie, en zeker niet de bedoeling van de regelgeving.
De kern van de hemelwaterverordening is dat regenwater van een dak eerst wordt opgevangen of ter plaatse in de bodem gebracht, en pas in laatste instantie vertraagd wordt afgevoerd. Voor een bijgebouw betekent dit meestal een eenvoudige oplossing: een infiltratievoorziening in de tuin, een opvangput die overloopt in een gracht, of een aansluiting op een bestaande hemelwaterinstallatie van de hoofdwoning. Welke oplossing verplicht of toegestaan is, hangt af van de oppervlakte van het bijgebouw, de grondgesteldheid en de gemeente waarin u bouwt.
Belangrijk is dat de verplichting niet gekoppeld is aan de vraag of u een omgevingsvergunning nodig hebt. Ook bij vergunningsvrije bijgebouwen blijft de hemelwaterverordening onverkort van toepassing. De vergunningsplicht en de waterverplichting zijn twee afzonderlijke zaken die toevallig vaak samen opduiken, maar de ene ontslaat u niet van de andere.
In de drie gewesten geldt een vrijstelling van de omgevingsvergunning voor kleinere bijgebouwen en tuinhuizen, tot een bepaalde oppervlakte en onder bepaalde voorwaarden van hoogte, ligging ten opzichte van de perceelsgrens en afstand tot de woning. De precieze grenzen verschillen: het Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) kent een eigen vrijstellingsbesluit, het Waalse Code du Développement Territorial (CoDT) een andere regeling, en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bepaalt het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) weer eigen drempels. Wie in Wallonië bouwt, moet dus niet uitgaan van de Vlaamse maten, en omgekeerd.
Wat in de praktijk vaak over het hoofd wordt gezien: die vrijstelling van vergunningsplicht zegt niets over de verplichting rond hemelwater. Een gemeente kan bij een melding of bij controle alsnog vragen hoe het regenwater van het tuinhuis wordt verwerkt, en bij een geschil met de buren over wateroverlast telt de hemelwaterverordening onverkort mee, vergunning of geen vergunning. Een aannemer die een tuinhuis plaatst zonder aansluiting of infiltratie, bouwt dus juridisch iets dat weliswaar vergunningsvrij is, maar niet automatisch in orde met de waterregels.
Daarom raden wij aan om bij een tuinhuis vanaf het begin twee vragen apart te stellen: mag ik dit bouwen zonder vergunning, en waar gaat het water naartoe. Beide antwoorden hangt u op tegen de regels van uw eigen gewest en gemeente, niet tegen een algemeen Belgisch cijfer, want dat bestaat niet.
Zodra het bijgebouw groter is dan de vrijstellingsdrempel, dichter bij de perceelsgrens staat dan toegelaten, of een tweede bouwlaag krijgt, is een omgevingsvergunning meestal wel vereist. In dat geval wordt de hemelwaterverordening een formeel onderdeel van het dossier: de gemeente of het gewest kan een uitvoeringsplan voor de regenwaterafvoer opvragen, met de plaats van de infiltratievoorziening, de afmetingen en de aansluiting op de openbare riolering als noodoplossing bij overvloed. Dit gebeurt op dezelfde manier als bij grotere aanbouwen, zoals wij beschrijven bij [de hemelwaterverordening bij een dakkapel of uitbouw](/belgie/hemelwater/dakkapel-of-uitbouw), al is de schaal bij een tuinhuis doorgaans veel kleiner.
De gemeentelijke stedenbouwkundige dienst, of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de gemeente samen met Leefmilieu Brussel, toetst het dossier. Bij twijfel over de juiste interpretatie van de gewestelijke verordening kan de fonctionnaire délégué betrokken worden, de ambtenaar die in het Waalse Gewest toeziet op de correcte toepassing van het CoDT. Voor een tuinhuis is die tussenkomst zelden nodig, maar bij grotere bijgebouwen met verharding errond, zoals een terras dat mee afwatert op het dak, kan de zaak complexer worden dan de eenvoud van het gebouw zelf doet vermoeden.
De hemelwaterverordening raakt niet aan de opbouw van het dak, maar wel aan wat er aan het dak hangt of onder ligt. Een tuinhuis met stalen felsplaten van 0,55 mm en Sendzimir-verzinking met organische coating voert het water op de gebruikelijke manier af via de dakrand, maar de plek waar dat water vervolgens verdwijnt, moet voorzien zijn. Bij een plat of licht hellend dak, wat bij een tuinhuis vanaf zes graden dakhelling perfect mogelijk is met dit materiaal, is de afwatering vaak eenvoudiger te regelen dan bij een steil dak met meerdere sneden en hoeken, omdat er minder aansluitpunten zijn waar water geconcentreerd naar beneden komt.
Omdat felsplaten tot 8000 mm op maat geleverd worden en blind bevestigd zijn met klemmen, ontstaat er een gesloten, waterdicht vlak zonder doorboringen. Dat is voor de hemelwaterverordening op zich niet relevant, maar wel voor de praktische uitvoering: de dakgoot en de afvoer naar de infiltratievoorziening kunnen zonder zorgen om lekkages op maat afgestemd worden op het gekozen gootprofiel. Bij een tuinhuis dat rechtstreeks tegen de erfgrens staat, is dit een detail waar de aannemer wel rekening mee houdt, want een verkeerd gerichte afvoer op het perceel van de buur levert vaak meer discussie op dan de vergunningsprocedure zelf.
Wie het bijgebouw als losstaand element bij een bestaande woning plaatst, kan de opvang meestal koppelen aan de al aanwezige regenwaterput van de woning, mits die voldoende capaciteit heeft. Bij een volledig nieuw perceel, zoals een tuinhuis dat samen met een nieuwbouwwoning wordt aangevraagd, wordt de hemelwaterberekening voor het hele project in één keer gemaakt; hoe dat in zijn geheel verloopt, leest u bij [de hemelwaterverordening bij een nieuwbouwwoning](/belgie/hemelwater/nieuwbouwwoning).
Omdat de drempels voor vergunningsvrij bouwen en de eisen van de hemelwaterverordening per gewest en soms per gemeente verschillen, is de gemeentelijke stedenbouwkundige dienst het eerste aanspreekpunt. Zij weten welke gewestelijke verordening van toepassing is en of de gemeente daarop nog een eigen aanvulling heeft vastgelegd, wat in de drie gewesten voorkomt. Voor de actuele oppervlaktegrenzen van vergunningsvrij bouwen verwijst de gemeente u door naar de tekst van het VCRO, het CoDT of het BWRO, afhankelijk van waar het perceel ligt.
Het is verstandig om deze vraag te stellen vóór de bestelling van het dak, niet erna. Een tuinhuis van 20 m² dakoppervlak vraagt een andere infiltratievoorziening dan een tuinhuis van 40 m², en de gemeente kan bij een melding of bij een gewone controle achteraf nog altijd vragen om aanpassingen als de afwatering niet in orde is. Neem daarom contact op met de dienst omgeving van uw gemeente, leg uw plannen voor met de afmetingen van het bijgebouw, en vraag uitdrukkelijk naar de toepasselijke hemelwaterverordening naast de vergunningsplicht. Zo weet u vóór de start van de werf precies waar u aan toe bent, en kan de aannemer het dak en de afwatering in één keer correct uitvoeren.