Klikzink
De hemelwaterverordening is geen apart formulier dat u ergens los indient. Ze is een verplicht onderdeel van de omgevingsvergunningsaanvraag, en dat is meteen de eerste reden waarom veel bouwheren en aannemers de procedure onderschatten. Wie denkt dat de regenwaterberekening iets is voor achteraf, bij de oplevering, komt bedrogen uit: de gewestelijke of gemeentelijke overheid toetst het hemelwaterdossier al bij de behandeling van de aanvraag, en een onvolledig dossier komt niet eens ontvankelijk door het loket.
De procedure begint bij het ontwerp. De architect of ontwerper berekent, op basis van de dakoppervlakte en de aard van de verharding op het perceel, hoeveel hemelwater moet worden opgevangen, gebufferd of geïnfiltreerd. Die berekening steunt op de gewestelijke regelgeving: in Vlaanderen is dat de Vlaamse hemelwaterverordening, in het Waalse Gewest de regeling die daar via het Waalse Code du Développement Territorial (CoDT) loopt, en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de eigen Brusselse verordening. De drie gewesten werken met vergelijkbare principes, maar met eigen rekenregels en eigen drempels voor wanneer een regenwaterput, een infiltratievoorziening of een combinatie van beide verplicht is. Die berekening wordt als bijlage bij de vergunningsaanvraag gevoegd, samen met een plan waarop de afvoer van het dak naar de voorziening staat aangegeven.
Wanneer het om een dakrenovatie gaat, ligt de nadruk van de procedure elders dan bij nieuwbouw, zoals wij toelichten bij [de hemelwaterverordening bij een dakrenovatie](/belgie/hemelwater/dakrenovatie). Bij een volledig nieuw dak, zoals hier centraal staat, is het aandeel van de hemelwaterverordening in het vergunningstraject het grootst: er is nog geen bestaande afvoer waarop kan worden aangesloten, en de ontwerper moet de volledige keten uittekenen, van de dakrand tot de infiltratievoorziening in de tuin of onder de verharding.
De aanvrager van de omgevingsvergunning is meestal de bouwheer, maar het is de architect of een gespecialiseerd studiebureau dat de hemelwaterberekening opstelt en technisch onderbouwt. Bij eenvoudige woningbouw gebeurt dit vaak door de architect zelf; bij grotere projecten, of wanneer de infiltratiecapaciteit van de bodem twijfelachtig is, wordt een aparte infiltratiestudie besteld. Die studie onderzoekt de doorlatendheid van de grond en bepaalt of infiltratie via een wadi of infiltratiekoker haalbaar is, of dat een buffering met vertraagde afvoer naar de riolering de enige optie is.
Het dossier wordt ingediend bij de gemeente, via het omgevingsloket, samen met de rest van de vergunningsaanvraag. De gemeentelijke omgevingsambtenaar of, bij grotere dossiers, de gewestelijke administratie beoordeelt of de hemelwaterberekening voldoet aan de verordening. Bij twijfel of bij een afwijking van de standaardregels kan een advies worden gevraagd aan de waterbeheerder, meestal de gemeente of de rioolbeheerder van de zone. Dat advies is niet altijd bindend, maar het weegt zwaar door in de uiteindelijke beslissing, en het is een van de momenten waarop de procedure vertraging kan oplopen.
De grootste tijdsverliezen in de hemelwaterprocedure zitten niet bij de beoordeling zelf, maar bij de voorbereiding. Een berekening die uitgaat van een verkeerde dakoppervlakte, of die geen rekening houdt met de afvoer van een aangrenzend bijgebouw of een verharde oprit, wordt bij de volledigheidscontrole teruggestuurd. Dat kost geen weken beoordelingstijd bij de overheid, maar wel weken omdat het dossier opnieuw moet worden ingediend en de klok van de behandelingstermijn opnieuw begint te lopen.
Een tweede knelpunt is de infiltratieproef. Wanneer de bodem niet standaard als infiltreerbaar wordt beschouwd, moet een proef ter plaatse de doorlatendheid vaststellen. Die proef kan alleen op een droge, onbebouwde grond worden uitgevoerd, wat betekent dat ze bij een verbouwing van een bestaande woning soms moet wachten tot de tuin weer vrij is van bouwmaterialen of een oude verharding. Wie deze proef vooraf laat plannen, in plaats van ze te laten afhangen van de rest van de werf, wint op de totale doorlooptijd.
Een derde punt van vertraging is specifiek voor projecten met een dak dat niet als eenvoudig hellend dak kan worden beschouwd, zoals een dak met meerdere niveaus of met interne afvoeren. Daar moet de ontwerper aantonen dat elke deelafvoer afzonderlijk op de juiste voorziening is aangesloten, en dat vraagt een gedetailleerder plan dan bij een enkelvoudig zadeldak. Dat is een ander type complexiteit dan bij een bedrijfsgebouw met een groot plat dak, waar de schaal van de oppervlakte de bepalende factor is, zoals wij bespreken bij [de hemelwaterverordening bij een bedrijfsgebouw](/belgie/hemelwater/bedrijfsgebouw).
De hemelwaterverordening regelt in de eerste plaats waar het water na het dak naartoe gaat, niet hoe het dak zelf is opgebouwd. Voor een stalen felsdak, met zijn gladde oppervlak en de karakteristieke sneden tussen de banen, verandert er aan de dakopbouw zelf niets: de fels van 35 mm, de blinde bevestiging met klemmen en de dakhelling vanaf zes graden blijven ongewijzigd. Wat wél verandert, is de afwerking van de dakrand en de plaatsing van de goot.
Omdat de hemelwaterverordening vraagt om het volledige debiet van het dakvlak te kunnen opvangen, moet de goot ruim genoeg gedimensioneerd zijn en moet de afvoerbuis aansluiten op een systeem dat de berekende bufferinhoud effectief bereikt. Bij een felsdak met een grote onderbroken oppervlakte, waarbij het water via meerdere kortere trajecten naar de goot loopt, telt de ontwerper elk deeltraject apart mee in de berekening. Dat verandert niets aan de plaatdikte van 0,55 mm of aan het gewicht van ongeveer 5 kg per m², maar het bepaalt wel hoeveel afvoerpunten er langs de dakrand nodig zijn en hoe die zijn aangesloten op de regenwaterput of infiltratievoorziening.
Bij een plat of licht hellend dak is er nog een tweede punt: als het dak zelf tijdelijk water moet vertragen voordat het wordt afgevoerd, spreekt men van een groenblauw of vertraagd afvoersysteem. Dat vraagt een andere technische uitwerking dan een standaard felsdak, en is dan ook zelden de gekozen oplossing bij een stalen dak dat vanaf zes graden helling wordt toegepast: bij een felsdak wordt het water vlot afgevoerd naar de opvang op maaiveld, niet op het dak zelf gebufferd.
Bespreek de hemelwaterverordening met uw architect al bij de eerste schetsen van het dak, niet pas bij de indiening van de vergunningsaanvraag. Vraag concreet naar de dakoppervlakte die in de berekening wordt meegenomen, naar de plaats van de regenwaterput of infiltratievoorziening, en naar de afvoerpunten langs de dakrand. Zo weet u vooraf waar de fels op het dak aansluit op de afvoer, en voorkomt u dat een onvolledig dossier de vergunningsprocedure vertraagt.